Zuurder dan de citrus

prijs:

€20 – België (incl. BTW en verzendingskosten)
€25 – Nederland (incl. BTW en verzendingskosten)

bestel het boek

De onpeilbare heimwee van Adam en Eva naar het verloren paradijs is een rode draad in het verhaal. De schuldgevoelens om hun twee zonen Kaïn en Abel, die moeten opgroeien buiten Eden met alle sores en ellende om te overleven, voelen daarbij extreem zuur aan. De twee broers houden van elkaar, maar zijn erg verschillend. Uiteindelijk zal de eerstgeboren mens buiten Eden de moordenaar worden van zijn jongere broer. Een statement en een doordenker voor ons allen van formaat. Lezen we dit niet dagelijks in de krant? Of meer nog: doen we dit zelf niet vaak met onze geliefden? “We all kill the thing we love,” verwoordde Oscar Wilde dit prachtig in zijn ballade: ‘The ballad of Reading Gaol’ (1898). Hierover uitgebreider  meer in het tweede deel van de trilogie met al een voorsmaakje op deze website onder deel 2.

Ik koos hieronder een fragment uit elk hoofdstuk. Ik was echter beperkt in mijn keuze doordat ik het verhaal zelf niet mocht blootgeven: de mooiste stukken staan dus in het boek zelf. U bent van harte welkom!

Product details

Cover: Softcover Afmetingen: 15.5 x 21.5 cm Aantal pagina's: 219
Druk: Softcover Verschijningsjaar: 15.5 x 21.5 cm Taal: Nederlands

Fragmenten ter kennismaking


HOOFDSTUK 1: GOD BOVEN GOD

 

Oh nee, nooit zal ik de mens dienen en me voor zijn voeten werpen zoals Michaël en de zijnen dit wel doen. Ik verdoem de Man en de Mannin. En ik verdoem God omwille van Zijn beeld in de mens. Eeuwig zal ik hen bestrijden tot er van hun gelijkenis met God niets meer overblijft. De God in hen zal ik doden. Ik laat de zon los en geen licht wil ik nog dragen. Ik zal me bewegen in het duister, in het ongeschapen zwarte licht, onzichtbaar als een geest in het aanschijn van de zon. De naam die God mij gaf haat ik. Ik heet niet langer Lucifer maar Belial en vele andere namen zal ik dragen. Mijn vleugels zal ik afschudden. Mijn natuur zal ik vervormen tot van mijn schoonheid niets meer overblijft. Niets maar dan ook niets, wil ik met mijn Schepper nog gemeen hebben. Mijn schoonheid zal zich hullen in alles wat de liefde niet is en enkel de schoonheid van het tegengestelde zal ik aanbidden en tonen en een naam zal ik het geven: het kwade schep ik, Belial, in woord en daad.

 

HOOFDSTUK 2: EDEN

 

Al die nachten ervoor.

 

Hun bed was warm en zacht. Groot hoefde het niet te zijn. Naakt tegen naakt, geslacht tegen geslacht, zo lagen zij.

Samen en één.

Alles hadden ze en alles waren zij. Voor eeuwig zou dit duren. Hoe zij dit moesten benoemen, wisten zij niet: het woord ervoor bestond niet omdat hetgeen het woord zou moeten betekenen er steeds was en het tegengestelde er niet was.

Ze wisten enkel dat het uitging van Jahwe die hen ‘Ons’ noemde.

Maar benoemen wat er steeds was, hoefde niet zo lang zij Jahwe zelf maar niet ‘Ons’ noemden en dat deden ze ook niet. Jahwe was Jahwe en Jahwe was hen steeds nabij.

Voor dagen, jaren of misschien eeuwen was dit zo.

Tot op een dag de Man en de Mannin geen vrede meer namen met dit niet benoemen.

HOOFDSTUK 3: ASH’ HADU

 

In de tuin van Eden was Belial al erg op haar hoede voor de Mannin. Hoe moeilijk was het voor Belial immers niet geweest om de Mannin te overtuigen om van de boom met de kennis van goed en kwaad te eten? Toen hij haar probeerde te overhalen, botste hij op haar grote hart voor Jahwe. Zijn dodelijkste venijn had Belial uit de kast moeten halen om de Mannin zo ver te krijgen. De Man zou zo’n dosis nooit overleefd hebben. Inderdaad, de Man eerst overhalen zou een pak eenvoudiger geweest zijn, maar de Mannin zou nooit zomaar blindelings de Man gevolgd zijn. Belial had dit juist ingeschat. Het hart van de Mannin was beduidend groter dan dat van de Man. De Mannin was geschapen om kinderen te dragen en dragen bleef haar eerste natuur.

HOOFDSTUK 4: HEIMWEE

 

Hoe gelukkig Adam en Eva zich vaak ook voelden, niets kon de zwartste herinnering uit hun kamer van herinnering branden. Adam probeerde ook nu weer te doen alsof. Maar met Eden lukte dit niet. Het lukte gewoon niet. Omdat elke plant, elk dier, elk insect, elk zuchtje wind of zelfs de kleinste regendruppel hem deed denken aan Jahwe en Eden. De heimwee was groot, haast niet draaglijk en zou ook niet te dragen zijn als Jahwe hen niet achter de schermen bleef dragen. Hoe meer Jahwe terug plaats kreeg in hun hart, hoe meer ze ernaar verlangden om steeds dichter bij Hem te komen. Zo ontpopte de heimwee zich tot een oerkracht, tot basis van het menselijke instinct, tot onuitwisbaar geheugen van de liefde.

HOOFDSTUK 5: OP JACHT

 

Vele malen na elkaar kwamen ze van een kale jacht thuis en terwijl ze op het veld werkten, bestookte Kaïn Adam met vragen. “Waarom niet een val maken om zo zelf onze prooien te vangen in de plaats van onze tijd te verspillen met wachten tot een roofdier ons ter hulp komt?” De discussies rond deze heikele en levensbelangrijke materie werden met de keer vinniger en zelfs bitser. Adam begreep de logica van Kaïn, maar kon hem maar niet aan het verstand brengen dat het niet de mens toekwam dieren te doden. “Vele dieren doen het toch ook? Jahwe houdt hen toch ook niet tegen?” “Juist daarom: wij zijn geen dieren”, maakte Adam Kaïn vakkundig monddood. Stilaan verloor Kaïn zijn geduld en hij repliceerde smalend: “Waarom helpt jouw Jahwe ons dan niet? Waarom maakt Hij het ons dan zo moeilijk? Wij mogen minder doen dan de andere dieren omdat we meer zouden zijn! Leg me dat dan eens uit?” Deze was raak. Adam zweeg en ook hij voelde zich door Jahwe verlaten. Adam zweeg.

HOOFDSTUK 6: WINTER

 

“Ik mis niets, Jahwe vroeg ons er niet van te eten en ik heb Jahwe lief. Liefde is toch alles?” De Mannin dreef de slang langzaam tot wanhoop. Belial dacht koortsachtig na over hoe dit verder aan te pakken en hij meende het gevonden te hebben: “Dat is het hem net: je kreeg toch een verstand van je Schepper en dat zijn wij, naast onze liefde voor Hem, verplicht om te gebruiken,” hoopte de slang de zaak sneller vooruit te krijgen.“Ik hoef geen verstand. Mijn hart mist het verstand niet, want ik heb de liefde”, sprak zij als vanzelfsprekend. 

“Natuurlijk heb jij gelijk,” en Belial, onder de indruk van zoveel tegenstand, vervolgde wanhopig, “maar Jahwe schiep het verstand juist ten dienste van de liefde! Het verstand niet gebruiken is oneer aandoen aan Zijn schepping!” 

“Jahwe zei ons niet van de appel te eten,” bevestigde zij nogmaals wat Belial terug hopeloos naar af voerde en hij moest nu alles uit de kast halen: “Natuurlijk wil Hij dit niet! Zoiets zuur geef je niet aan je geliefden. Ervan eten is een offer en niet iedereen kan zoiets opbrengen. Alleen het hoogste schepsel is dit vergund en daarom zit ik hier en waak erover dat niemand anders ervan eet.”

HOOFDSTUK 7: DJEBEL AKHBAR

 

“Drie zaken wil ik je nog geven”, zei de engel, en Djibril troonde Abel mee naar de rand van de gigantische waterval.

Abel was niet bevreesd, Djibril was nabij.

“Draai je nu nog eens eventjes om naar de berg. Zie je al die kleine, rustige bergriviertjes die dit grote meer voeden?”

De engel stak zijn hand in het meer en liet de druppels uit zijn hand in het meer vallen.112 

“Al deze druppels vormen dit meer. Er zijn druppels die zeg- gen: nu is het voor mij welletjes, het vallen naar beneden was mij al pijnlijk genoeg en eindelijk rust, maar in dit meer gonst het koortsachtig van de geruchten over een verre zee. Elke druppel staat voor zijn keuze. Onderaan deze grote waterval bevindt zich een kleiner meertje waar telkens opnieuw dezelf- de geruchten, verhalen, dromen, getuigenissen zich afspelen tussen de druppels. Daarna in een lager bekken weer opnieuw en nog ettelijke malen steeds opnieuw diezelfde keuze die elke druppel voor zich moet maken of hij de pijn van de volgende val wel wil trotseren”, en Djibril maakte zijn zin niet af terwijl hij met zachte hand Abel weer omdraaide richting de enorme waterval aan hun voeten.

Daarop stak de engel zijn hand nogmaals in het water en liet de druppels van zijn hand voor Abels ogen in de waterval vallen. “Maar dit is wat jij moet worden, Abel: zo klein als de druppel, met zoveel hartstocht als de druppel om zich te ver- liezen in de zee en zo de zee te worden. Heb geen angst voor de pijn, Abel! Hoe groter de angst die je overwint, hoe minder pijn je voelt! Maak de tocht van je hart!”

HOOFDSTUK 8: HIJ DIE BEREN DOODT

 

Elke nacht nodigt de mens uit om een keuze te maken tussen slapen of waken. Geen grotere aardse kracht dan het nachtelijke waken biedt de menselijke geest de gelegenheid om inzichten te verwerven: weidser, eerlijker en doorzichtiger dan het felste zonlicht. 

Nachtelijk waken terwijl de mens zijn dood voor ogen heeft, versterkt deze kracht tot bovenaardse proporties en voert de geest onvermijdelijk naar zijn hoogtepunten en naar de diepste afgronden van zijn ziel. Het kan het hart van de meest harde soort openen. Het kan de meest starre ziel overspoelen met nieuw leven zoals alleen een stormvloed de zee op vreemde plaatsen brengt, het verdronken land een nieuwe realiteit leert kennen, de aarde nooit onveranderd achter zich zal laten. Zo ook voerde die nacht Kaïn naar onbekende lan124 

den. Zijn eenzaamheid van de laatste jaren werd overspoeld door nieuwe inzichten, alsof hij bij zichzelf op bezoek mocht gaan en als bevoorrecht getuige mocht terugblikken op het noodlottige afscheid destijds tussen een moeder en haar zoon.

HOOFDSTUK 9: DE VAL EN DE VAL

 

Zo ook voerde die nacht Abel naar lang vergeten landen. Terwijl zijn hoofd rustte op zijn reistas, ervoer hij opnieuw die ongenaakbare schoonheid van zijn ouders. De ijzige winternacht in de grot, het eindeloos wenen van de ijspegels, als beelden door woeste golfslagen opgedolven uit diepe groe- ven en oude spelonken in zijn hersenen die hulde brachten aan hun onvergelijkbare smart en waardigheid. Alles werd stil en verstilde zijn wanhopige geest. De zee herwon haar rust en kalmte en nam haar tijd om deze beelden zacht neer te zetten op deze nieuwe bodem. Slechts langzaam, eerst nog aarzelend, trok ze zich volledig geledigd terug naar een vloed aan een verre overkant. De overgebleven beelden toonden zich daarna klaar en helder. De maan en de zon tooiden hun schoonheid, ongefilterd en puur.

Niets maakte Abel nu nog wakker, want wakker was hij. 

HOOFDSTUK 10: TWEE STRIJDEN

 

Kaïn daalde de helling af naar de vallei terwijl zijn gedachten als bladeren in de wind ronddwarrelden. Tot hij plots halt hield: nu pas kon hij benoemen wat hij al die tijd voelde smeulen: het was pijn! Abels liefde en dank voor hem brandden pijnlijk! Het was alsof hij in Abel zichzelf zag, maar dan zichzelf in zijn mooiste vorm, alsof hij in Abel de Kaïn zag die hij wou zijn. Hij was van slag, wist niet of hij ooit die Kaïn was geweest en had verloren dan wel of hij die Kaïn wou worden en er maar niet in slaagde. Hij voelde zich zo nietig ten opzichte van zijn jongere broer en kon dit niet goed vatten. Pijnlijk klein voelde hij zich, alsof hij ergens iets belangrijks had gemist. Hij had veel liever de kwaadheid en de verwijten van Abel mogen ondergaan zodat hij erom kon vechten en hem kon bekampen met vuistslagen of scherpe woorden. Maar nee: Abel sloeg hem van bij de eer- ste gongslag knock-out met zijn onvoorwaardelijke liefde en dankbaarheid. Veel liever kampte hij nog met een woeste beer. Dat was zijn taal en daar kreeg hij respect voor, maar tegen de liefde van Abel kende zijn taal geen woorden noch klanken.

HOOFDSTUK 11: DE VAL- EN DE PUTGESPREKKEN

 

Kaïn hoopte vurig dat hun tocht naar Eden Abel snel zou ontnuchteren, goed wetende dat ze Eden toch niet zouden vinden en dan zou hij er zijn om zijn broer te steunen en op te vangen. Eden niet zien zou alles oplossen.

Abel troostte zich met de gedachte dat zelfs de sterkste burcht van de grootste bever niet bij machte is een stormloop van eenvoudige regendruppels te weerstaan. Elke moeizaam opgebouwde dam ontmoet ooit die ene regendruppel te veel die door zijn rangen zal breken en alle andere druppels in zijn zog mee bevrijdt.

Eden zien zou alles oplossen.

HOOFDSTUK 12: DE RIVIER

 

Loep betekende met de jaren steeds meer voor Kaïn. Hoe vaker ze samen op jacht gingen, hoe meer de vriendschap tussen hen beiden Kaïn troost bood in het bittere meningsverschil met zijn ouders. 

“Er is toch niets aan de hand?”, leek Loep hem nu toe te fluisteren. “Djibril waakt!” en de rust van Loep streek neer op Kaïn. Geen einder meer, noch oever, zon of maan, geen rots of doel, gedachte noch verhaal.

Loep sloot zijn ogen. Dus Kaïn sloot zijn ogen. 

En voor de allereerste keer in zijn leven liet Kaïn zich als een blinde leiden door de eveneens gesloten, maar helderziende ogen van een wolf, terwijl er duivelse krachten boven hen tekeergingen, maar hen niet konden raken. De inzet van de strijd die zich afspeelde boven hun hoofden was ontzagwekkend hoog en draaide puur om dat ene eenvoudige geschenk in een simpele verpakking in die doodgewone reistas van Abel welke Loep met zijn hoofd als vanzelfsprekend bewaakte.

HOOFDSTUK 13: HET GESCHENK DEEL 1

 

Nadat hij in detail verteld had hoe hij afscheid had genomen van Djibril, kwam hij uit op het geschenk dat Djibril had meegegeven voor zijn ouders en hij nam zijn reistas.

“Wat is het?”, kon Adam zijn opwinding niet meester blijven en Eva was niet minder nieuwsgierig. 

“Ik weet niet wat het is, ik moest het met mijn leven bewaken, zei Djibril.” Abel nam zijn reistas, haalde het kleinood tevoorschijn en overhandigde het pakje aan Eva. Ze trilde en bad heel zachtjes “Ash’ hadu an la ilaha illa-llah” terwijl ze het vreemde verpakkingsmateriaal langzaam verwijderde, uit schrik om iets stuk te maken. Adam hield zijn adem in. De 162 

zon deed een laatste maal haar best om geen detail ervan te verhullen. 

Hun mond viel wijd open.

HOOFDSTUK 14: HET GESCHENK DEEL 2

 

Maar het geschenk viel bij Kaïn in dovemansoren. Kaïns oren sloten zich door wat hij met zijn ogen voor zich zag: de immense top van de Djebel Akhbar. Onmogelijk te bereiken. Onmogelijk te geloven dat zijn broer daar geweest was. Maar hij wist het plots niet meer. Het ergerde hem mateloos dat hij Abel niet langer kon afdoen als een gestoorde geest die hallucineerde ten gevolge van ontbering. Wat hij nu vernam, plaatste veel van zijn eigen woorden en daden ten opzichte van Abel in een gans ander daglicht. Een daglicht dat niet veel moois toonde en smeekte om snel te mogen verduisteren. Kon het dat ook zijn ouders gestoord waren door ontbering? Maar dat geschenk dan? Hij had het met eigen ogen gezien. Loep had het bewaakt. Was Loep dan ook gek? Waarom was hijzelf dan niet gek? Hij zocht wanhopig steun en raad aan de rand van de grot om met stijgend geloof in een ongeloof naar de top van de Djebel Akhbar bij ondergaande zon te kunnen kijken. De top priemde door een hermelijnen kraag van wolken en droeg majestueus als een koning een kroon van paars-oranje-goud. De berendoder wist niet wat aan te vangen met dit verhaal. 

HOOFDSTUK 15: KAÏN

 

Onze eigen ervaringen betreuren is onze eigen ontwikkeling tot staan brengen. Onze eigen ervaringen verloochenen is een leugen leggen op de lippen van ons eigen leven.Het is niet meer of minder dan een verloochening der ziel.

Oscar Wilde, De Profundis

Wanneer wij beginnen te leven, is het zoete ons zoo zeer zoet, en het bittere zoo zeer bitter, dat wij onvermijdelijk al onze verlangens richten naar genietingen, en er op uit zijn niet enkel “voor een maand of twee op honing te teren”, maar al onze jaren lang geen ander voedsel te proeven, zonder onderwijl te beseffen, dat wij eigenlijk bezig zijn de ziel te laten verhongeren.

Oscar Wilde, De Profundis

Dagen daarop bleef Kaïn zwijgzaam. Hij stelde zijn broer op de proef, maar de proef dreigde zich telkens tegen hem te keren. Hij observeerde nauwgezet elke handeling van Abel, maar vond geen tegenstrijdigheid tussen zijn woorden en daden. Steeds bleef Abel geduldig en liefdevol met hem omgaan, hoe nukkig en bars hij zich ook tegenover hem gedroeg. Het maakte hem wanhopig, deed hem ongemeen hard twijfelen over al zijn woorden en handelingen van het afgelopen jaar. Het voelde niet aangenaam, maar hij kon niet bevatten dat hij zo verkeerd kon geoordeeld hebben. Het was nu Abel die voor hem zorgde en dat zinde Kaïn helemaal niet. Het stemde hem steeds bitterder en opstandiger. Hij voelde zich als zonder speren voor een beer staan, met zijn handen geboeid op de rug. Wat hem overkomen was op de rivier en op welke onverklaarbare wijze het vlot de stroomversnellingen succesvol had genomen was puur toeval geweest.

HOOFDSTUK 16: HET AFSCHEID

 

“Moeder, ik kom afscheid van je nemen. Kaïn en ik vertrek- ken stilaan naar Eden en ik wil je nog bedanken voor alles. Bedank mij niet. Ik kan nooit teruggeven wat ik van je kreeg: mijn lichaam, mijn geest, mijn hart … ” Eva onderbrak hem en fluisterde sussend in zijn oor: “Ik hou van je.” Ze nam de kalebas terug van hem over en ging schijnbaar onverstoord verder de weg op naar hun kleine tuin van Eden, zonder verder om te zien. Ze liet Abel achter en keek niet meer om. Eva’s eerdere vreugde om het dragen van de zware last omhoog werd plots overschaduwd door haar zesde zintuig en stemde haar nu somber. “Zuurder, vele malen zuurder dan de citrus”, maakte ze zich grote zorgen en ze wou Abel geenszins verontrusten. Abel keek haar verbaasd na.

HOOFDSTUK 17: HET OFFER

 

Er viel een ongemakkelijke stilte. “Jouw interpretatie is de juiste voor jou en de mijne is dat voor mij. We dienen enkel rekenschap te geven aan ons innerlijk oog”, poogde Abel in extremis Kaïn enige houvast te bieden.

“Innerlijk oog?”, schudde Kaïn zijn hoofd, alsof het hem begon te duizelen om zoveel nonsens.

“Glas en spiegel. Ons oog is waarmee we zien en ons oog is ook het enige waarmee we onszelf zien in het water van de rivier. Zo alleen kunnen we via onszelf met onszelf praten zoals ik nu met jou praat. Je ziet jezelf antwoorden op alle moeilijke vragen die je jezelf stelt en terwijl je antwoordt, weet je al of je jezelf iets voorliegt of niet. De spiegel maakt je zo doorzichtig als glas”, zei Abel, zich de schaal met water bij zijn moeder herinnerend.

Er viel een nog veel ongemakkelijkere stilte. De sfeer werd er niet vrolijker op. Abel moest nu wel doorspreken. Het was zijn nood die nu het hoogst was, wilde hij niet getroffen worden door zijn eigen woorden, en hij wachtte niet op een vraag.

“Het innerlijk oog is als ons hart”, dacht hij de zaak vooruit te helpen. Hij besefte snel aan Kaïns dwingende zwijgen dat het nog niet voldeed en dat er zelfs kwaadheid begon te groeien omdat hij het niet kon begrijpen.

Er volgde een ultieme, op zijn minst overhaaste, ja, zelfs ver- metele poging. “Ons hart kan spreken”, waagde hij een laatste maal en hij gaf zich daarna over. Hij wist het meteen. Hij ging in de fout. Daar stopte het voor hem. Veel te laat.

HOOFDSTUK 18: DE BOCHT

 

Hij was nu tot op een metertje van de bocht genaderd. Hij kon het niet laten om centimeter bij centimeter op te schuiven naar meer zekerheid of Abel nog te zien was. Uiteindelijk zette hij de finale stap en probeerde in de verte iets op te vangen, maar zover de vollemaan het toeliet, zag hij niets. Hij trok zich snel terug, kwaad zijn nieuwsgierigheid niet de baas te hebben gekund. Hij had weliswaar de bocht even gemaakt, maar helemaal niet de bocht in zijn hoofd.

 

 

HOOFDSTUK 19: VERAF, ALS EEN VOLKOMEN PAREL

 

En Jahwe was hem dicht nabij.

Het monotone eindeloze herhalen en het onophoudelijke zachtjes schreien stilden plots Abels geest. Zijn geest zweeg en bewoog niet langer zoals ook zijn lichaam zich niet roerde. Hij behoefde geen woorden meer en vergat de wereld en zijn lichaam. Al zijn zintuigen werden gesloten in het stilzwijgen. Zijn ziel betrad een peilloze duisternis en werd waardig gekeurd om met reine geest voor Jahwe te staan. Hij voelde zich zo immens klein en tegelijk zo immens geliefd. “Was U al die tijd zo dichtbij, Heer?” De zon brandde schijnbaar ongenadig, maar verbrandde in werkelijkheid uiterst genadig elke seconde zelf tot enkel zijn kleinste fractie roerloos overbleef om zo de hele kosmos te vertragen en de honger van de tijd te stoppen. Abel had alles wat hij zocht: dicht bij Jahwe zijn. Hoe dicht zou Jahwe zelf bepalen. Niet hij. En Jahwe was hem ontzagwekkend dicht nabij. Beginloos. Samen. Het voelde als eeuwig, als nooit anders geweest of nog anders ooit kunnen.

HOOFDSTUK 20: EVA

 

Haar hart vertraagde terwijl ze Kaïn observeerde, maar ze merkte niet de minste reactie in de doffe ogen die hun jeugd ver achter zich hadden gelaten en lenzen vol littekens van bloed en dood droegen. Zijn kille ogen dwongen haar nu om zelf de ogen te sluiten, in de ultieme hoop om zich met beide handen opnieuw elke millimeter van dat edele gezicht van weleer voor de geest te kunnen halen. Ze streelde het zachtjes, maar voelde alleen nog wrange rimpels en harde, onherkenbare lijnen. Ze dacht dat het aan het eelt van haar vingers lag of aan het vuil van de aarde, maar hoe ze haar vingers ook schoonveegde aan haar tong, Kaïns huid bleef aanvoelen als dood perkament. Ze depte dan maar haar wrange tranen aan een stuk leer en probeerde het merkteken op zijn wang weg te vegen. Zij wist hoe verschrikkelijk zuur dit wel om dragen moest zijn. Het lukte niet. Vervolgens probeerde ze met haar zachte lippen zijn oren, ogen en mond te balsemen om zo de vloek te verdrijven. Niets hielp.

 

HOOFDSTUK 21: MENS BOVEN GOD

 

Alle hoop rustte op dat frêle, ontluikende stammetje in het kleine tuintje bij de grot, waar twee mensen woonden die meer dan wie ook beseften wat het woord liefde kon betekenen en die onnoemelijk veel leden onder wat het woord liefde door hun daad aan betekenis verloren had. Hun lijden was daarom maximaal en kon nooit erger worden voor eenderwelke nakomeling na hen. Als de oerouders van honderden generaties kinderen na hen waren ze onlosmakelijk verbonden met honderden generaties tranen. Deze stromen van tranen zouden doorheen de tijd een constante vormen en hierover kon God als een mensgelijke, als een mensenzoon vrij over blijven beschikken zonder de vrijheid van de mens, Zijn tot en na de dood geliefde, op enige wijze in gevaar te brengen.

 

Hoofdstuk 1