Geschiedenis van de Eden Trilogie

1986. De Nobelprijs voor de Vrede wordt uitgereikt aan Eli Wiesl. Tijdens een tv-interview vertelt hij hoe hij als jonge man in Auschwitz getuige mocht zijn van het proces van God. Eén rabbijn was Gods verdediger, een andere rabbijn was Zijn aanklager. Eli Wiesl was hun enige getuige. Ik was amper 29 jaar en wist dat ik hier ooit rond ging schrijven. Ik wist alleen niet hoe, want ik kon God toen enkel aanklagen. Na de doodgeboorte van mijn zoontje Jef in 1994, kon ik God enkel nog verdedigen. Zo bleef het lang stil tot november 2012. Het eerste boek liet zich plots schrijven in een haast die alleen een terdoodveroordeelde kent. Dit klinkt niet erg vrolijk, maar het voelde evenwel zo: ik wou de belofte aan mezelf in dit leven stellig nakomen. Het tweede boek verwacht ik tegen 2022. Reden waarom dit zo lang op zich laat wachten: ik schrijf erg proefondervindelijk en dat vraagt tijd en rijping.

 

DEEL 1: Zuurder dan de citrus

Het boek begint met de val van de engelen. De strijd tussen Lucifer en Michaël. Een moeilijk, maar uiterst belangrijk hoofdstuk, omdat het frame van de ganse trilogie erin wordt uitgetekend. Daarna volgt het relaas over de val van de mens waarna Adam en Eva hun leven verder moeten zetten buiten het paradijselijke Eden. Ze krijgen twee zonen, Kaïn en de jongere Abel. Langzaam aan ontwikkelt zich een geestelijke strijd tussen beide twee broers die elkaar nochtans heel graag zien.

 

lees meer

DEEL 2: Hij die mensen doodt

Hoe leeft Kaïn verder met de vloek die op hem rust en die het merkteken van Jahwe draagt? Zijn we niet allemaal Kaïn?
Andermaal is Oscar Wilde mijn metgezel. Ik citeer uit zijn prachtige ballade ‘The Ballad of Reading Gaol’ welke hij in 1897 schreef na zijn vrijlating uit de gevangenis.

 

lees meer

DEEL 3: Dichtbij als een volkomen parel

Het laatste deel kan nog alle kanten uit: de grote lijnen liggen klaar, maar zijn nog te prematuur om reeds te vermelden.

 

lees meer

De auteur

Dit boek behoeft geen naam van een auteur. De auteur kreeg immers alles van zijn geestelijke voorvaderen, moeders, vaders en kritische lezers. Hij kreeg dit om niets, en daarom wenst hij op zijn beurt om niets te geven. Hij schreef dit niet om wat hij heeft, maar om wat hij verloor. De naam van de auteur is veruit ondergeschikt.

Op de eerste plaats wil de auteur graag benadrukken wat dit boek niet wil, noch kan zijn: een theologisch traktaat. Theologie probeert zich vaak via de klassieke dialectiek van de rede uit te drukken, maar van die rede probeert hij zich veraf te houden.

Op de tweede plaats wil hij de kans grijpen om hulde te brengen aan een fantastisch mede componist van wereldformaat in de persoon van Oscar Wilde (1854-1900), die hij toevallig in 2012 tegen het lijf liep. Het klikte meteen tussen hen beiden. Oscar Wilde liet hem zijn werk lezen dat hij ‘De Profundis’ in een verduisterde cel tijdens zijn harde gevangenisleven met dwangarbeid van mei 1895 tot mei 1897 geschreven had. Een zware straf destijds omwille van een hartstochtelijke liefde voor iemand van het eigen geslacht. ‘De Profundis’ is zo aangrijpend openhartig geschreven en dramatisch van kracht, dat de auteur met gemak telkens een inhoudelijk passende inleiding vond voor elk van zijn hoofdstukken. Oscar Wilde herhaalt tijdens zijn verblijf in de gevangenis keer op keer, hoe lijden onlosmakelijk verbonden is met liefde en daardoor de ultieme schoonheid openbaart. Zijn levensweg verliep dramatisch: hij beminde en bezong de schoonheid, oogstte daarmee wereldfaam, vond daarna de liefde bij een man en kreeg het lijden er als ‘summum’ bovenop om uiteindelijk de hoogste liefde en troost te vinden. Hij kon als geen ander de bocht maken, bewees en beschreef als ervaringsdeskundige tegen wil en dank hun dwingende en goddelijke verband. “Andere dingen zijn misschien begoochelingen van het oog of  van de begeerte, dingen die enkel bestaan om het oog te verblinden of  de begeerte te verzadigen, maar uit smart zijn de werelden opgebouwd, en geen kind of ster wordt geboren zonder pijn. Waar smart is, daar is gewijde grond.”